The House of Usher - the web's oldest Poe fansite
home library news search works music 100 words contact 
 
Translations of The Raven - Dutch
 
Czech, Danish, Dutch, English, Finnish, French, German,
Esperanto, Italian, Klingon, Polish, Portuguese, Spanish, Swedish

Four Dutch Translations of The Raven

Dear Peter,

Here are four Dutch translations of the poem The Raven. This
translations are made by the following writers:

John F. Malta in 1887
Gerard den Brabander in 1944
Bob de Uyl in 1983
Carel Alphenaar in 1993


The reason that I was visiting your web-page was because my wife was interested in the poem of Poe. She was also the one who was typing this translations.

Here personal appreciation of the four poems is as follows:

On the first place John F. Malta, he was able to give the same "Poe like" feeling although the Dutch language is in old spelling style. Second the poem of Carel Alphenaar who's translation is in a more modern style. Third is the one from Gerard den Brabander and Bob de Uyl ended on the last place.

I hope this is what you meant when you asked me if I have some Dutch  versions of Poe's work.

Kind regards,
Anton en Jasenka van Doren.


De raaf (John F. Malta - 1887)

In een nacht toen 't buiten woedde, en ik peinzend, mat en moede,
Nadacht over 't schoone en goede van een lang vergeten leer;
En mijn hoofd begon te knikken, hoorde ik plotseling iets tikken,
Dat mij uit mijn slaap deed schrikken. "Wie zou 't wezen in dat weer?
Een bezoeker klopt daar," dacht ik, "aan mijn kamer in dat weer;
Dat slechts is het, en niets meer."

Middernacht had juist geslagen, toen mij oogen scheemrend zagen,
Hoe in 't vlammend vuur met vlagen, schimmen dwarlden heen en weer.
'k Haakte vurig naar den morgen; 'k vond geen boek dat mijne zorgen
Wegdreef. Voor mijn oog verborgen, opgevoerd naar hooger sfeer
was Lenore, schoon en stralend, opgevoerd naar hooger sfeer;
Hier, helaas! voor mij niet meer!

Ritslend werd als voor mijn oogen zachtjes het gordijn bewogen;
'k voelde nu mijn vrees verhoogen, nooit zoo sterk gevoeld weleer,
Dat ik sprak, om aan het beven van mijn hart wat rust te geven;
"Een bezoeker klopt daar even, die wat laat komt dezen keer,
Een of andere bezoeker, die wat laat komt dezen keer;
Dat slechts is het, en niets meer."

'k Voelde nu mijn moed herleven; en ik sprak van vrees ontheven:
"Zeker zult gij mij vergeven 't lange wachten in dat weer;
'k zat als sluimerend te knikken en zoo zachtjes kwaamt gij tikken,
Dat gij mij deedt wakker schrikken door uw kloppen dezen keer;
Kom dus binnen, Heer of Dame! na uw koppen dezen keer." -
Duisternis! en ook niets meer.

Lang bleef ik in 't duister staren; doch ik kon 't mij niet verklaren.
't was mij of het droomen waren, die geen sterveling had weleer.
Niets kwam nu de stilte breken; en de stilte gaf geen teeken.
En ik kon slechts n woord spreken; 'k riep dan naam der dierbre weer,
'k Riep: "Lenore!" vlug gaf de echo mij het woord "Lenore!" weer,
Dat alleen, en ook niets meer.

'k Vloog ontsteld daarop naar binnen, als beroofd van al mijn zinnen;
Daar ging 't kloppen weer beginnen, nu wat luider dan weleer.
'k Hoorde 't vreemd getik daar buiten, duidlijk aan mijn vensterruiten.
"'k Wil," zoo dacht ik, "'t raam ontsluiten en mijn hart wordt rustig weer;
Ja! ik zal 't geheim doorgronden en mijn hart wordt rustig weer." -
't Was de wind, en ook niets meer."

"Nu een stout besluit genomen!" 't Venster oopnend zonder schromen,
Zie 'k een Raaf naar binnen komen, deftig schuddend wiek en veer;
Niet in 't minst scheen 't beest te dralen; en als kwam het mij verhalen
Van dat oord waar geesten dwalen, liet het zich toen statig neer
Boven op een beeld van Pallas, aan mijn deur zich statig neer;
Zat daar stil, en deed niets meer.

Hoe door smart ook neergebogen, 't vreemde van des vogels oogen
Had mij tot een lach bewogen en ik sprak toen tot hem weer:
"Vogel! met uw vreemde trekken en uw kruin met kale plekken,
Wil mij, zoo gij kunt, ontdekken of gij komt van 't schimmenheer?
En mij zeggen hoe de naam is, dien gij draagt in 't schimmenheer?"
En de Raaf zei: "Nimmermeer."

Vreemd klonk mij die stem in de ooren, want ik had nog nooit te voren
En zoo duidlijk kunnen hooren als die Raaf sprak dezen keer;
Ook had ik nog nooit gelezen dat n enkel menschlijk wezen
Soms een vogel zag als dezen, strijken op een buste neer,
Zulk een zonderlingen vogel, strijken op een buste neer,
Met den naam van: "Nimmermeer."

Lang bleef ik gespannen wachten en naar een verklaring trachten;
Doch het dier gaf zijn gedachten met dat ne woord slechts weer;
Het gaf verder taal noch teeken, had geen veer zelfs gladgestreken.
'k Ging toen tot mij zelven spreken: "Alles vlood van mij weleer;
Als het daagt vertrekt die vogel, als mijn hoop vervloog weleer."
En de Raaf zei: "Nimmermeer."

Schoon verrast dat woord te hooren, dat de stilte kwam verstoren,
Dacht ik: "Zoo sprak 't dier te voren, zeker bij zijn vroegren Heer,
Die, door ramp op ramp geslagen, tot hij grafwaarts werd gedragen
Altijd maar zijn leed bleef klagen met dezelfde woorden weer
En wanhopig dan herhaalde steeds diezelfde woorden weer,
Altijd klagend: "Nimmermeer!"

't Dier, op 't beeld nog steeds gezeten, deed mij haast mijn leed
vergeten;
En nu trachtend meer te weten, viel ik in mijn leustoel neer,
Liet mijn zinnen zich verdiepen, dat zij visioenen schiepen,
Die mij luid in de ooren riepen wat dat beest van 't schimmenheer,
Wat die zwarte, nare vogel uit het het donkre schimmenheer
Meende met zijn "Nimmermeer."

'k Liet zoo mijn gedachten zweven zonder 't beest n woord te geven,
Voor wiens oogen ik moest beven als ik ze aanzag telkens weer;
En in diep gepeins verloren, dacht ik weer aan mijn Lenoren,
Die op d'eigen stoel te voren 's avonds zat zoo meenge keer,
Op dien stoel met zijden zitting, waar zij zat zo meengen keer,
Rusten zal, ach! nimmermeer.

't Werd toen scheemrend voor mijn oogen, alsof serafs uit den Hoogen,
Op hun knie n diep gebogen, wierook brandden God ter eer.
'k Sprak toen: "Zij zijn mij gezonden, balsem brengend voor mijn wonden;
'k Heb verlichting nu gevonden, eens zie ik Lenore weer;
'k Zie, na al mijn leed en droefheid, eenmaal nog Lenore weer."
En de Raaf zei: "Nimmermeer!"

'k Sprak toen: "Raadselachtig wezen, dat de toekommst mij komt lezen,
Moet 'k hier Satans listen vreezen, of wierp u een stormvlaag neer?
Vogel! zelf door schrik verbijsterd, in dit huis door ramp geteisterd;
Wordt mijn hartewond bepleisterd, vindt zij nog genezing weer?
Is er balsem voor die wonde; vindt zijn nog genezing weer?"
En de Raaf zei: "Nimmermeer!"

'k Vroeg weer: " Onbegrijplijk wezen, dat de toekomst mij komt lezen,
Bij den Hemel onvolprezen! Bij den hoogen Hemelheer!
Vind ik, mag ik 't nog gelooven, in het Paradijs daarboven,
Waar geen dood haar komt ontrooven, eenmaal nog Lenore weer?
Vind ik eenmaal daar die zaalge, dierbre maagd Lenore weer?"
En de Raaf zei: "Nimmermeer!"

'k Riep toen: "'k Wil geen woord meer hooren! Vogel, die mijn rust komt storen,
Keer door 't stormweer als te voren naar het donkre schimmenheer!
Laat geen veer hier als een teeken van uw schandlijk leugenspreken,
Dat mijn eenzaamheid kwam breken; en verlaat mij kamer weer!
Houdt nu op mijn ziel te kwellen en verlaat mijn kamer weer!"
En de Raaf zie: "Nimmermeer!"

En de vogel, nimmer wijkend en geen enkle veer verstrijkend,
Zit nog altijd, ernstig kijkend, op het borstbeeld als weleer.
Somtijds schijnt hij ook te droomen; en als de avond is gekomen,
En zijn schim wordt waargenomen bij het lamplicht telkens weer,
Voelt mijn ziel van 't zware schijnsel, dat haar schrik geeft telkens
weer,
Zich ontslagen nimmermeer!


De Raaf (Gerard den Brabander - 1944)

Op een nacht, toen 'k mat en moede peinsde, piekerde en broedde
op het vele en onvermoede van een leer die ging teloop;
toen ik doezelig zat te knikken, deed er iets mij lichtelijk schrikken.
drong er in mijn droomerig nikken zacht een tikken tot mij door.
"Zou dat een bezoeker wezen?" mompelde ik mijzelven voor.
"'t Kan niet anders, komt mij voor."

Ik herinner mij die uren duidelijk; dien December guur en
op het vloerkleed de figuren, stervend in de sintelgloor.
Vurig beidde ik den morgen, want geen boekdeel wilde borgen
de bevrijding uit mijn zorgen: zorg en smart om Eleonoor;
zorg en smart om 't stralend wezen bij dengelen, Eleonoor;
Naamloos hier, l de eeuwen door.

Somber, zijden, onbestendig rilde en ritselde 't lamlendig
purperen gordijn, ellendig huiverde het mijn leden door,
dat ik, tegen het gehamer van mijn hart, zei tot de kamer:
"Een bezoeker, n g eenzamer, dringt tot mijn alleen-zijn door;
een bezoeker, die verlaat is, dringt tot mijn alleen-zijn door.
Dat is alles wat ik hoor."

En mijn ziel werd van halfslachtig aarzelend weer kalm en krachtig.
"Heer," zei ik "of Dame, waarlijk, schenk mij daar vergiffenis voor,
want ik doezelde en ik knikte, toen gij z" zachtzinnig tikte,
dat mijn droombeeld nauwelijks schrikte, toen gij tikte om gehoor.
Zie mijn deur, zij zwenkt naar binnen. Laat U zien. Ik sta ervoor."
Duisternis als nooit tevoor.

Diep in 't duister voor mij glurend, stond ik daar verwonderd, turend,
twijfelend, durvend, droomen droomend als geen steveling tevoor.
Maar de stilte wou niet breken en het duister zond geen teeken
dan alleen 't eenzelvig spreken van mijn fluisterend "Eleonoor.
En d echo bracht mij murmelend slechts dit eene "Eleonoor."
Enkel dit kwam tot mij door.

In de kamer wederkeerend, innerlijk door vuur verterend,
hoorde ik welddra weer het tikken, ietwat luider dan tevoor.
"Of 't een Wie, dan wel een Wat is, niets is duidelijker dan dat is:
in het duister, dat een gat is, kom ik dit geheim op 't spoor;
als mijn hartslag kalm en mat is kom ik dit geheim op 't spoor.
't is de wind slechts, die ik hoor."

Bliksemsnel een luik ontwerveld! Door den wind erin gewerweld,
stapte statig daar een raaf uit lang vervlogen eeuwen door.
Zelfs de lichtste buiging meed-ie; stom en zonder stilstaan schreed-ie;
met het air van lord of lady stapte hij de kamer door;
stapte hij naar 't beeld van Pallas en zat statig op diens oor;
zat en zweeg op Pallas' oor.

't Ebben vogelbeest verlokte, waar 't zoo stram op Pallas stokte,
mijn verdriet door zijn decorum: aarzelend brak mijn glimlach door.
"Kort van kuif en zwart van verve, zult gij, dunkt mij, moed niet
derven,
raaf of spookbeeld, bij uw zwerven over't nachtelijk spoor.
Zeg mij, lordschap, hoe uw naam luidt daar op Pluto's nachtelijk spoor."
"Nooit meer,"kraste het in mijn oor.

Wonderlijk de redenatie van dien vogel zonder gratie,
woorden sprekend zonder rede, die hij redeloos verloor.
Daarbij kwam de vraag gerezen; Was, als ik, n sterfelijk wezen
ooit gezegend als met dezen vogel daar op Pallas' oor;
met zoo'n beest als op het borstbeeld daar omhoog; op Pallas' oor?
"Nooit meer," heette het, kwam mij voor.

Maar het beest, hoog en alleenig daar op 't borstbeeld, sprak slechts 't
eenig'
eenig waaraan hij blijkbaar ziel en zaligheid verloor.
Verder star en stil gezwegen, - vlerk noch staartveer zag 'k bewegen -
zat ik mopperend te overwegen hoeveel vrienden ik al verloor;
"In den morgen vlucht en vliedt hij, als de droomen, die 'k verloor."
"Nooit meer," kwam de raaf mij voor.

Bevend - door de bruusk gesproken woorden werd de sfeer verbroken-
dacht ik: "Alles wat hij in heeft is het antwoord, dat ik hoor.
Vastgekoppeld aan een wezen, dat de klauw van ramp en vreezen
rond de keel voelt en 't verwezen lied tot dit refrein bevroor;
tot de lijkzang op zijn droombeeld tot dit triest refrein bevroor;
tot dit "Nooit meer, nooit" bevroor.

Maar, terwijl de raaf daar stokte en tot een glimlach mij verlokte,
sleepte ik mijn liefsten zetel voor de buste en 't beest op 't oor.
In dien zetel zat en zonk ik; in mijn diepst gepeins verdronk ik;
droom aan duister droombeeld klonk ik. Wat had deze vogel voor;
wat had deze barre vogel met zijn barsche "Nooit meer", voor,
dat daar kraste aan mijn gehoor?


Onder al die raadselen zwichtend; mij met geen syllabe richtend
tot het beest, wiens blikken brandend drongen in mijn boezem door,
dacht en peinsde ik. Ondertusschen liet het dwaze brein zich sussen
door het violette kussen onder lamplichts gloed en gloor.
Ach, w
nooit meer dat van Eleonoor!

Dacht mij toen, de lucht werd tastbaar, of de hemel zelf tegast waar';
reuk en rijkdom; alles was daar: ruischend, rinkelend engelspoor!
"Schelm!" riep ik, God zelf bekent je en d engelenschaar verwent je,
-zwelg en dronk!- want deze zend je rust, respijt om Eleonoor!
Zwelg en drink dus uit dien beker en vergeet Eleonoor!"
"Nooit meer", kraste het in mijn oor.

"Stomme vogel, ondier, euvel; zwijgende profeet of duivel;
wie of wat, je bent uit Satan of een stormbewogen spoor;
eenzaam steeds, zonder versagen; scheppende in dit oord behagen;
in dit huis van spook en plagen, zeg 't mij, die dit land verkoor,
is er troost nog? zeg 't mij, smeek ik; zeg 't mij, die dit land
verkoor!"
"Nooit meer, " kraste het in mijn oor.

"Stomme vogel, ondier, euvel; zwijgende profeet of duivel!
Bij de hemelen daarboven; bij den God, die ik behoor,
zeg mij - ik heb zwaar geleden - zit er in 't onvindbaar Eden
niet een zalige en aangebeden maagd gevangen: Eleonoor?
Zit geen ijl en stralend wezen daar in 't Eden: Eleonoor?"
"Nooit meer, " kraste het in mijn oor.

"Laat mijn woede niet ontsteken! Zij dit woord ons afscheidsteeken!
Ding of demon, grijp den storm weer op je nachtelijke spoor!
Laat geen veer hier van je spreken, want je ziel gaf taal noch teeken;
laat mij eenzaam, neergestreken duivel daar op Pallas' oor!
Neem je bek weer uit mijn boezem en je beeld van Pallas' oor!"
"Nooit meer", kraste het in mijn oor.

En de raaf bewoog niet ven, zat daat stil en zonder leven
op het witte borstbeeld daar omhoog, op Pallas oor;
en zijn blik was opgenomen in een duivelachtig droomen;
en het licht goot met zijn stroomen ""k diens schaduw ver naar voor;
en mijn ziel zal van die schaduw nooit verlost zijn, de eeuwen door;
nooit verlost zijn, de eeuwen door!


De Raaf (Bob de Uyl - 1983)

Op een sombere midnacht, 't stormde, 'wijl ik moe gedachten vormde,
over menig vreemd en zeldzaam boekwerk met vergeten leer-
'wijl ik slaperig 't hoofd liet knikken, kwam er plotseling een tikken,
't was of iemand lichtjes tikte, tikte aan mijn kamerdeur.
"'t Moet bezoek zijn, laat," zo dacht ik, "tikkend aan mijn kamerdeur-
Aleen dat maar en niets meer."

Helder staat het in gedachten, 't was een barre winternacht en
elk afzonderlijk stervend gloeihout wierp zijn spookspel op de vloer.
Hunkerend dacht ik aan de morgen; - mij vergeefs in schrift verborgen,
balsem zoekend voor mijn zorg en smarten om het beeld Lenoor -
om het zeldzaam stralend wezen met de Engelennaam Lenoor -
naamloos hier nu eeuwig door.

En het droeve, zijden zuchten van 't gordijn vol windgeruchten
vulde me met schimmige ontzetting als nooit hiervoor;
op mijn hoofd stonden mijn haren overeind en strak als snaren,
zacht zei ik, om te bedaren:"'t Is een vriend slechts voor mijn deur -
'n late vriend die wat wil vragen, buiten voor mijn kamerdeur -
Alleen dat en dan niets meer."

'k Wist me daarop te vermannen, alle aarz'ling uit te bannen:
"Heer," zei ik, "of dame, nodig is 't dat ik me excuseer;
't kwam doordat ik 't hoofd liet knikken, en zo zachtjes kwam u tikken,
en zo lichtjes kwam u tikken, tikken aan mijn kamerdeur,
dat ik nauw'lijks u kon horen' - hierop opende ik wijd de deur-
duisternis daar en niets meer.

Dieper in het donker glurend, stond ik lang daar, vrezend, turend,
twijf'lend, dromen dromend als geen sterv'ling ooit hiervoor.
Maar de stilte, ongebroken, duurde voort, ineengedoken,
't ene woord dat werd gesproken was mijn fluistering "Lenoor!"
Uit het duister gaf een echo suizend weer het woord "Lenoor!"
Dat alleen en dan niets meer.

Weder in de kamer komend, mijn verzengde ziel nog dromend,
hoord'ik kort daarop weer kloppen, nu iets luider dan tevoor.
"Moog'lijk," zei ik, "moog'lijk drenst er iets of iemand aan mijn
venster;
'k zal gaan horen wat het wenst, er is toch anders geen verweer-
laat mijn hart een oogwenk stil zijn,'t raadsel is er dan niet meer;-
't is de wind maar en niets meer!"

Open wierp ik nu de blinden, en met veel gekerm van winden
trod een trotse raaf naar binnen uit de eeuwen van weleer.
Met geen spoor van dankbetuiging, nog niet met de minste buiging;
maar met hoofse overtuiging, vloog hij naar mijn kamerdeur-
streek hij neer op 't beeld van Pallas, pal boven mijn kamerdeur-
keek, en zat, en dan niets meer.

Daar deez' gitte vogel kans zag ernst te wijzigen in glimlach,
door het komische contrast van beeld en windverwarde veer,
sprak ik, om hem te verhoren: "Wel heeft u uw kroon verloren,
maar niet uw moed. Oh, stormgeschoren, ijzig koude Heer-
zeg me hoe uw naam luidt in dit woeste nacht'lijk weer!"
Sprak de raaf scherp: "Nimmermeer."

Het verbaasde mij dit zo luide woord, dat voor mij niets beduidde,
te horen uit de spitse bek van dit verwaaide dier;
want toe zal men moeten geven, dat men zelden in dit leven
n' zwarte vogel zal zien zweven naar een beeld boven de deur-
naar het marmerblanke borstbeeld op de lijst boven de deur,
met zo'n naam als "Nimmermeer."

Maar de vogel, als bevroren op het beeld, liet niet meer horen
dan dit ene woord, alsof zijn ziel bestond uit deze leer.
Geen geluid meer dat ik hoorde - nog geen veertje dat er snorde -
tot ik nauw'lijks hoorbaar morde: "And're vrienden gingen eer-
in de ochtend zal hij weg zijn, als mijn toekomst van weleer."
Spottend zei hij: "Nimmermeer."

Opgeschrikt door 't wreed verleden, zei ik, zoekend naar een reden,
"Ongetwijfeld is dit weerwoord d'een'ge kreet in zijn beheer-
opgevangen van een wezen dat, vervolgd door ramp en vrezen
waar hij nooit uit kwam verrezen, tot dit woord werd tot gezeur-
tot de klaagzang van zijn hoop uit 't melancholische getreur,
tot "Nimmer - nimmermeer."

Daar de vogel nog steeds kans zag ernst te wijzigen in glimlach,
wielde ik mijn zachte zetel recht voor beest en beeld en deur;
diep verzonk ik, lui gezeten, schakels denkend aan een keten
die moest leiden tot het weten hoe dit onheilspellend dier-
hoe dit strenge, starre, onheilbrengend, lelijk loerend dier
mij bewoog met "Nimmermeer."

Zo zat 'k alles te verwerken, zonder iets te laten merken
aan de raaf wiens vurige blik nu boorde in mijn diepste zeer;
dit en meer zat ik te raden, en mijn geest, met leed beladen,
volgde diep gedachtendraden; 't lamplicht stroomde helder neer
op de stoel in welks fluwelen kussens, op welks mauve leer,
Zij zal rusten, mimmermeer!

Plotseling onbestemde geuren, wierooklucht hing bij de deur en
ongeziene Serafijnen tripten lichtjes op de vloer.
"Dwaas!" riep ik, "mij, door God geleid, brengt deez' engelstroom nog
nipt op tijd,
verlichting en vergetelheid van je leed over Lenoor;
zwelg, oh, zwelg in wierookwalmen, en vergeet je lief Lenoor!"
Zei de vogel: "Nimmermeer."

"Ziener!" zei ik "goed of euvel, ziener toch zo dier of duivel!-
zij het Satans knecht, of schuilplaats zoekend voor 't onstuimig weer,
onversaagd maar toch bevangen, op dit braakland vol verlangen-
in dit huis vol geesteszangen - zeg me waarlijk, zwarte Heer-
is er - is er troost in Gilead? - zeg me - zeg me, zwarte Heer!"
zei de vogel :"Nimmermeer."

"Ziener!" zei ik, "goed of euvel - ziener toch zo dier of duivel!
Bij het zwerk dat buigt omheen ons - God! Oh, zwijg niet imerdoor.
Zeg deez' ziel met smart beleden, of in 't ver verwijderd Eden,
zij daar op mij toe zal treden met de engelennaam Lenoor-
ik een maagd aan 't hart zal drukken met de engelennaam Lenoor."
Zei de vogel: "Nimmermeer."

"Laat dit woord ons afscheid wezen, duivelsdier!" kreet ik, gerezen-
"Laat d'orkaan je weer verslinden, en vertoon je hier niet meer!
Laaat geen zwarte veer als teken dat je valse ziel kan spreken!
Tracht mijn weerstand niet te breken!- scheer je weg van beeld en deur!
Naam je snavel uit mijn hart - verdwijn van 't beeld boven mijn deur!"
Zei de vogel: "Nimmermeer."

En de raaf, zonder bewegen, zit nog steeds, als zonder leven,
op het bleke beeld van Pallas, op de sponning van mijn deur;
in zijn ogen, als een omen, ligt de glans van duivelsdromen,
't lamplicht boven hem in stromen werpt zijn schaduw op de vloer;
en mijn ziel komt uit die schaduw, scherp geworpen op de vloer,
opgerezen - nimmermeer!


De raaf (Carel Alphenaar - 1993)

Wie op sombre winternachten, diep verzonken in gedachten,
Lezend over duistre machten uit een tijdperk van weleer,
Knikkebollend, wil gaan stoppen - ogen geven't lezen op - en
Wie dan meent te horen kloppen, zachtjes kloppen, zeven keer.
Denkt: 't is een bezoeker, laat nog, zachtjes kloppend, zeven keer.
Dat is wat het is. Niet meer.

De midwinterwinden woeien toen 'k mijn voeten voelde schroeien
Aan de haard die in zijn gloeien enge schijnsels wierp terneer.
Hoe verbeidde ik de morgen. 'k Had mijn boek juist weggeborgen:
Geen verlichting voor mijn zorgen - Leonoor kwam telkens weer.
Voor mijn geest, mijn dierbre dode. Leonoor kwam telkens weer.
Hier kent men haar naam niet meer.

't Knisperend nerveuze deinen van de purperen gordijnen
Deed mijn krachten ondermijnen. Huivrig werd ik als nooit eer.
Als een riet stond ik te beven. Om mij iets van rust te geven
Blufte ik luid: iemand wil even schuilen in dit hondeweer.
Een verlate gast wil even schuilen in dit hondeweer.
Dat is wat ik hoor. Niet meer.

Langzaam kwam ik weer op krachten, baas weer over mijn gedachten.
"Vreselijk, ik liet u wachten, lieve dame, of mijnheer,
Mijn ogen gaven 't lezen op en juist ook had ik willen stoppen
Toen ik zachtjes hoorde kloppen, zachtjes kloppen, zeven keer.
'k Was niet zeker maar nu wel, dus treedt u binen. Wat een eer."
Duisternis alom. Niet meer.

In het duister: diepe lagen, dieper dan ik kon verdragen,
Visioenen, flarden, vlagen. Niemand droomde dit ooit eer.
En de stilte, als van spoken, bleef van tong of taal verstoken
Tot er fluistrend werd gesproken: "Leonoor". Door mij . Een keer.
Uit de verte klonk een echo: "Leonoor" als tegenkeer.
Dit alleen. Dit ja. Niet meer.

Juist wil ik mij hierin schikken, voel ik weer mijn knie n knikken
Want ik hoor nu weer getik en feller dan de voorge keer.
Is 't luikje soms, dat rammelt? Hoe de boel hier zo vergammelt
Dat de raambedekking schrammelt. Zie, hoe ik die geest bezweer.
Zwijg, o rikketik van mij, en zie hoe ik die geest bezweer.
't Is de wind die plaagt. Niks meer.

Kloek doe ik het luikje open. Wiekend nog komt aangelopen,
Statig stappend, bek halfopen, 'n Raaf, uit fabels van weleer.
Zonder aarzeling of tadel, zittend in het nobel zadel
Van de allerhoogste adel, strijkt hij op mijn deurpost neer.
Strijkt hij op het beeld van Pallas, pal boven mijn deurpost neer.
Strijkt en zit en niks, niks meer.

De Raaf met ebbenzwarte veren deed mijn smart in vreugd verkeren.
Een gezant van hoger sferen: een gevederd kamerheer.
"Is uw kruin dan kortgeschoren, heldenmoed u aangeboren.
Uit het schimmenrijk verkoren, daalt gij uit de nachtkust neer.
Noem uw hoge naam, bij Pluto, dalend uit de nachtkust neer."
Sprak de vogel: "Nimmermeer."

'k Hoefde niet mijn hoofd te breken. Wat hij zei begreep een leek en
't Beest had groot gemak van spreken. Strekt de tekst hem niet tot eer,
Ik trek vele schele ogen nu ik onverwachts kan bogen
Op een deurpostbeeld, bevlogen door een ravezwarte heer.
Op het borstbeeld van de deurpost zit een ravezwarte heer
Die de naam draagt: nimmermeer.

En de raaf, zo hooggezeten, had zijn woordenschat versleten,
Uitgestort, naar beste weten, was een leeggeschonken meer.
Vredig zat hij in het duister, in de nis als in een kluister,
Luisterend naar mijn gefluister: "Mijn liefde vlood al eer.
Morgen vliegt gij weg, mijn vogel. Zo vervloog mijn hoop weleer."
Zei de vogel: "Nimmermeer."

Met dit woord ad rem gesproken, was mijn geloof in hem gebroken.
Had hij 't woord niet opgedoken bij een ongelukkig heer
Die zijn leven liet verknallen en die, in de goot gevallen,
Dronken, slechts een lied kon lallen over neergang zonder keer?
Lijkzang van bedrogen hoop: een neergang zonder ommekeer.
Ofwel: nimmer, nimmermeer.

De Raaf met ebbenzwarte veren deed mijn smart in vreugd verkeren.
'k Zette een fauteuil, een leren, bij mijn nieuwe huisvriend neer.
Door te gokken en te gissen, 't leggen van verbintenissen,
Wilde ik zien uit te vissen wat mijn ravezwarte heer,
Wat die barse, stuurse, steile, straffe, ravezwarte heer
Meende, krassend: "Nimmermeer?"

Kon ik het maar achterhalen maar 'k vermocht niet in te dalen
In 't gevogelte wiens stalen ogen boorden in mijn sfeer.
'k Zat temidden van de tover en ik leunde achterover
Op een kussen met goudlover, met goudlover op het leer.
Op dat kussen met goudlover, met goudlover op het leer
Leunt mijn beminde mimmermeer!

'k Voelde d'atmosfeer verdichten, geuren kwamen mij ontwrichten,
Kristallijnen toverlichten daalden voor mijn voeten neer.
Engelen, door God gezonden, zalving van mijn zielewonden
Opdat ik vergeten kon het beeld van Leonoor, zo teer.
Met vergetelgeuren wissen: 't beeld van Leonoor, zo teer.
Sprak de vogel: "Nimmermeer."

"Monsterlijke onheilsbode, veren demon die ik noodde,
Vriend van Satan of een blode die je vallen liet uit 't teer
Desolaat maar ongebroken op mijn getergde huis gedoken
Dat door leed is opgebroken, zeg me eerlijk, zwarte heer,
Zeg mij, zeg mij eerlijk, komt er ooit vertroosting, zwarte heer?"
Sprak de vogel: "Nimmermeer."

"Monsterlijke onheilsbode, veren demon die ik noodde,
Onwelgevallig aan mijn Gode aan mij eigen Lieve Heer,
Zeg dit mens, zo diep in rouwe of hij ooit zijn hoop mag bouwen
Op het weerzien met zijn trouwe Leonoor - in d'englensfeer?
Met mijn liefste bij de vrouwen: Leonoor - in d'englensfeer:"
Sprak de vogel: "Nimmermeer."

"Dit is het signaal tot scheiden, boze vogel. Jou verbreiden
Ze in de hel, dus laat je glijden naar de kust van Pluto weer.
Laat vooral geen zwarte veren ter herinnering aan het zeer en
Stoor mijn eenzaamheid niet, keer en 'k duld je op mijn deur niet meer.
Trek je snavel uit mijn hart. Vertoon je op mijn deur niet meer."
Sprak de vogel: "Nimmermeer."

En de Raaf blijft rustig zitten. Zit zijn veren om te spitten.
Lijkt aan 't Pallasbeeld te klitten. Jammer, ik heb geen verweer.
En zijn ogen hebben alles van een demon, niets van Pallas.
Door het kaarslicht schiet nogal een 's-Ravens schaduw heen en weer
En mij ziel, die in de schaduw op de grond drijft heen en weer,
Die verheft zich - nimmermeer!

 

Poe's Library

Back To Usher